Column

Allemaal Down

Gelegenheidscolumn:

Met stijgende verbazing keek ik vorige week naar het haast vanzelfsprekende gemak waarmee jong volwassenen met Down in het televisieprogramma ‘Down the road’ hun (liefdes)gevoelens op een zilveren schaaltje legden en zonder franjes aanboden aan het object van hun verlangens. Het deed me denken aan iets wat 10 jaar geleden gebeurde in onze vriendenkring.

Ik had die avond een dubbele agenda en aangezien het gezelschap uit de eerste activiteit zo geweldig in elkaar paste, besloten we impulsief – het leven begint pas als je buiten de lijntjes kleurt – om als echte partycrashers het groepje mee te nemen naar de tweede activiteit. En daar gebeurde het.

Je maakt zoiets hoogstens één à twee keer mee in je leven en als je het voor je ogen ziet afspelen, wéét je gewoon dat alles klopt.

Toen tussen een collega van de gastheer en één van mijn vriendinnen. De steelse blikken die over en weer pingpongden. Die onmiskenbare glans in hun ogen. Ze leken met twee op een onbewoond eilandje te zitten. En toch, toch werden er op het eind van de avond géén telefoonnummers uitgewisseld, géén bekentenissen gedaan. De angst om gekwetst te raken maakte het water tussen hen veel te diep.

Ik vraag me nu nog altijd af waar ik het lef vandaan haalde, maar toen …

Een dag later ben ik bij de gastheer het nummer van zijn collega gaan vragen. Ik heb die vriend gebeld met slechts één vraag: ‘Hoeveel keer denk je dat je in je leven meemaakt wat je gisteren hebt ervaren?’ Vervolgens ben ik in mijn auto gestapt en naar mijn vriendin gereden, haar in de zithoek geplant, een krukje genomen en voor haar gaan zitten. Ik heb haar dezelfde vraag gesteld.

Ze zijn nu nog steeds samen. Enkele jaren geleden mocht ik aanwezig zijn op hun huwelijk en een tijdje geleden kwam daar nog een baby bij.
Waarschijnlijk het enige pure dat ik ooit gedaan heb.

Gisteren zaten mijn man en ik in onze zithoek, een glas rode wijn in de hand. Hij vertelde me over twee van zijn kennissen. Over hoe ze bijna magisch naar elkaar toe werden getrokken. Hoe ze de winter door elkaar mooier maakten, fijnere mensen werden gewoon door bij elkaar te zijn.

Helaas géén bekentenissen. Het water tussen hen te diep. Nu ziet hij twee ongelukkige mensen die geen blijf meer weten met zichzelf, elkaar ontwijken en afstoten. Hij zei: ‘Het zou verboden moeten worden om je verstand te gebruiken in liefdeszaken!’

Hadden we allemaal maar Down …

Dienstmededeling

De cursiefjes zijn stopgezet, maar Anne zal op geregelde tijdstippen nog laten weten waar ze mee bezig is via deze pagina.

Week 45

Beste lezer,

Wat wonen wij toch in een vreemd land met een bizar rechtssysteem. Een rechtssysteem dat zonder problemen mensen veroordeelt voor moord op basis van een buikgevoel, maar dat buikgevoel evenzeer weer opbergt als de aanklacht op leugens is gebaseerd. Ik verklaar mij nader. Wij wonen in een nieuwbouwwijk met kleine smalle tuintjes. Slechts vijf meter breed. Om iedereen de nodige privacy te geven werden de hekkens in de meeste gevallen met klimop of riet gedekt. Wij hadden in mondeling overleg en in goed vertrouwen met de buren voor klimop gekozen. Ze stonden erop te kijken terwijl ik met een hand alles in de grond plantte. Anderhalf jaar later weigeren wij om voor de zoveelste dag op rij een oogje te houden op het kleutertje, dat de stiefmoeder meestal onbewaakt in hun tuin achterlaat. Nog voor we goed en wel met onze ogen kunnen knipperen, zitten we bij de vrederechter voor het onrechtmatig aanplanten van klimop. Alle verzoeningspogingen en gezond verstand van onze kant ten spijt maar tegenpartij blijft beweren dat ze nooit toestemming gaf tot de aanplanting ervan. Dan te weten dat ze eind vorig jaar aan ons vroegen om nog meer klimop aan te planten wat wij niet echt meer zagen zitten en het wordt nog erger. De buurman in kwestie laat in de aanloop naar de zitting links en rechts vallen dat hij, als politieagent, dat zaakje met zijn ogen dicht wint want hij kent deze en gene persoonlijk. Wij geloven onze oren niet maar wetende dat ons alleen naïviteit verweten kan worden – omdat we niets op papier zetten – wachtten we vol goede moed het verdere verloop af. Vandaag is echter gebleken dat Vrouwe Justitia toch niet zo blind is want raad eens: de klimop moet eruit. Ons vertrouwen in het Belgisch rechtssysteem is verdwenen. Toch hebben Koen en ik niet alles verloren want wij hebben onze waardigheid nog. Wij kunnen nog in de spiegel kijken en zeggen dat we eerlijke mensen zijn. Wij zijn opgevoed met het principe dat een woord ook bindend is. Jammer dat niet iedereen er zo over denkt. Ach, wij hoeven ons niet te schamen.

Tot volgende week,
Anne

[Noot van de webmaster: Art. 25 GW: De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers. Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.]

Week 44

Beste lezer,

Het is weer zover. Zelden verlaten wij schrijvers de onszelf opgelegde afzondering om de mensheid te ontmoeten. Geen diersoort zo asociaal, zo misantropisch of het is de schrijver. Ergens eind augustus verandert dat recept ingrijpend. Kieper de basisingrediënten: drink bij de uitgeverij, opening van de boekenbeurs in Antwerpen en nog een opening van een boekenweekend, bij elkaar. Overgiet dit recept met een sausje van boekpresentaties van bevriende collega’s en als je geluk hebt ook die van je eigen laatste literaire kindje. Werk vervolgens af met een paar signeersessies in de eerste helft van november. Ergens middenin die maand slapen mijn soortgenoten en ik terug in – tot de volgende herfst. Bij de ene collega verloopt dit proces al wat makkelijker dan bij de andere. Ikzelf maak op mijn quarantaine twee uitzonderingen. De eerste is mijn wekelijkse afspraak met de enige echte Frank Pollet – je weet wel, die van de Duvelmapjes – en zijn literaire creatievelingen. Blijkbaar heb ik dit drie uur durende bad nodig om door te gaan, om discipline te kweken. De tweede uitzondering vormen de occasionele wijndegustaties met mijn literaire vader en halfbroer, respectievelijk Dirk Bracke en Do Van Ranst. Altijd gezellig, vooral als de wederhelften zich in het debat proberen te mengen in de hoop van onderwerp te kunnen veranderen. Tevergeefs. De steeds terugkerende discussie over de pro’s en contra’s van toetsenbord (Do en mezelf) en pen (Dirk) blijven hardnekkig overeind. Al vrees ik dat Dirk toch overstag zal moeten gaan en zich in het digitale tijdperk zal moeten smijten. Hij vertrouwt tot op heden zijn schrijfsels immers toe aan de achterzijdes van de cursussen van zijn zoon. Omdat die opleiding achter de rug is en de voorraad zienderogen slinkt, zal Dirk andere maagdelijk witte vlaktes moeten opzoeken. Ik heb een flauw vermoeden dat hij daar zonder problemen in zal slagen.

Tot volgende week,
Anne

Week 43

Beste lezer,

Moeders. Iedereen lijkt er een haat-liefde verhouding aan over te houden. Je hebt in je jeugd immers heel hard je best gedaan haar te respecteren. Ze heeft nooit gezegd dat ze van je hield of je graag zag dus je betwijfeld of je wel gewenst was. Af en toe wilde je het liefst van haar weglopen maar het fatsoen hield je tegen. De helft van haar opvoedkundige principes waren op zijn zachtst gezegd walgelijk ouderwets. De andere helft stopte je in stilte in een koffer en nam je mee naar het volgende adres want ze was de slechtste niet. Diep in je binnenste weet je dat ze alles voor je over had. Desnoods zou ze zich laten prostitueren om jouw leven een betere start te geven. Na twintig jaar sluit je met een zucht de voordeur van wat vanaf dan geen thuis maar een huis geworden is. Je zal er alleen nog maar voor haar verjaardag, Kerstmis en een zeldzame zomerse barbecue langskomen. Je belooft jezelf het beter te doen. Jouw kinderen mogen na twintig jaar niet met hetzelfde wrange gevoel de deur uitgaan.
En dan zijn ze er. Die kinderen. In het begin lukt het nog aardig. Je knuffelt hen regelmatig en zegt dat je van hen houdt. Je bent trots op hen. Dat zeg je ook maar met een ‘Toe mam, dat weet ik toch al.’ laat die wijze kleuter je weten dat de mededeling overbodig is. Daar sta je dan. Ik zal koppig vol blijven houden want dat wrange gevoel binnen vijftien jaar wil ik hem besparen.

Tot volgende week,
Anne

Week 42

Beste lezer,

Ik hou van mijn zoon. Hij is mijn God. Het centrum van mijn wereld. Al vijf jaar lang ga ik elke avond – voor ik zelf in bed kruip – even naar mijn slapend Nielsje kijken. Dan wil ik het liefst een stukje uit zijn bolle wangetjes bijten en met me meenemen onderweg naar morgen of zijn zachte lippen tien maal kussen. Wel honderden keren per dag duw ik mijn neus in zijn kapsel, daar vlak bij zijn oor, om zijn bedwelmende lichaamsgeur op te snuiven. Ik ben er verslaafd aan. Ik wil hem duizend keren knuffelen en kussen, zelfs al wil hij dat niet. Ik ben jaloers op zijn juf omdat haar dag wel oplicht door zijn aanwezigheid. Daarnet was hij nog een baby. Ik wil niet dat hij groot wordt. Hij mag niet groot worden. Zelfstandig worden is voor later. Wat hij voor mijn onvoorwaardelijke afgoderij heeft moeten doen? Niets. Absoluut niets. Onbeperkt in tijd zal ik van hem houden. Behalve deze week toen de juf me vertelde dat Niels een meisje uit zijn klas een bloedneus had bezorgd omdat haar haren volgens hem slecht roken. Op dat moment was mijn liefde heel even over. Heel even. Ach, wat wil je. Ik kan eigenlijk nooit echt lang kwaad op hem zijn. Gelukkig kan hij nog niet lezen.

Tot volgende week,
Anne

Week 41

Beste lezer,

Langzaam groeit bij mij het besef dat niets is wat het lijkt. Een ‘goedendag’ betekent niet altijd een goede dag. Net zoals het antwoord op de vraag: ‘Hoe gaat het ermee?’ steevast een welgemeende ‘Goed.’ oplevert. Zelfs al heeft de geadresseerde een blik die op half zes staat, toch gaat alles goed. Mensen hebben het ook altijd te druk. Te druk voor een praatje. Te druk om even voor het rode stoplicht te staan. Te druk om op de school van de kinderen eens een verfborstel vast te nemen. Te druk om met diezelfde kinderen een gezelschapspelletje te spelen. Die dumpen we toch fijn voor het kleine scherm terwijl we voor de achtenvijftigste keer die dvd van Cars in de gleuf proppen. Aan iedereen die het horen wil, vertel je dat je het druk hebt alsof drukte gelijk staat aan succes. Het is cool om het druk te hebben! Ik was ook zo. Wij waren vroeger ook zo. Zo druk dat we wekelijks een avondje quality time inplanden omdat we het risico liepen elkaar een hele week voorbij te lopen. Tegenwoordig hebben we in ons huishouden een aantal nieuwe gewoonten ingevoerd. De weekends zijn heilig. Geen werk van vrijdagavond tot maandagmorgen. Koen doet Niels elke morgen naar school zodat hij zijn zoon iedere dag zeker gezien en gesproken heeft en probeert om voor bedtijd thuis te zijn. Het resultaat is dat we die wekelijkse afspraak niet meer nodig hebben. We zien en spreken elkaar nu elke dag. Hoewel we meer werken dan vroeger hebben we toch meer vrije tijd. Mij zal je nooit meer horen zeggen dat ik het te druk heb als dat niet zo is. Als ik je een goedendag wens, wens ik je ook echt een goede dag. Ik ben wie ik ben, ik zeg wat ik denk…

Tot volgende week,
Anne

Week 40

Beste lezer,

Deze week schrijf ik mijn bijdrage met opzet in het holst van de nacht want het spookt hier. Nee, geen gegrinnik, het spookt hier echt! Het begon drie weken geleden met een lamp die sprong. Geen bijzondere gebeurtenis, denk je. Wacht maar! Twee dagen later valt een simpel glas zomaar uit de kast alsof iemand het van binnen naar buiten duwde. Koen en ik zitten op een avond rustig in de salon te praten terwijl de televisie plots uit het niets aan en even later ook weer uit wordt geschakeld. Nee, geen van ons zat op de afstandsbediening! Op een half uurtje tijd gaat het toestel diverse keren aan en uit. Wat vind je van de volgende: Op een andere avond zit ik in de sofa en staar in het vlammetje van een kaars tot ineens de glazen kaarsenhouder perfect doormidden breekt net op het moment dat ik de kaars wil uitblazen. Ondertussen hebben we hier een lichtpunt waarvan de bedrading plots niet meer werkt en een spot die, als we ze aansteken, begint te knipperen. (Nee, Niels speelt niet met de schakelaar!) Daarbovenop hebben in totaal drie lampen de geest gegeven waarvan een met wat vuurwerk erbij en bij de laatste explodeerde de glasbol meteen mee. Het televisietoestel heeft ook nog een keertje zijn kuren gekregen en de helft van onze glazen liggen in scherven. Straks drinken we uit bekertjes. Kaarsen durven we niet eens meer aansteken. Kijk, ik ben een rationeel denkend mens maar ik begin mij af te vragen wie ik moet bellen, een goede elektricien of een lokale heks om die geest uit mijn huis te verdrijven? Ik zal al maar beginnen met de sluimerstand van de televisie uit te schakelen en een flinke hoeveelheid drinkglazen, lampen en spots in te slaan. Kurt, kom jij dan alsjeblieft even naar dat lichtpunt kijken?

Tot volgende week,
Anne

Week 39

Beste lezer,

Ik kijk niet veel televisie maar de reportage van Terzake van vierentwintig augustus blijft me nog steeds achtervolgen. Het onderwerp, het recht op onderwijs in Afghanistan, heeft daar zeer zeker mee te maken. Velen kennen mijn interesse in de Islam en de hoop om ooit op een dag te kunnen begrijpen waarom de ene sekse zich moet verbergen voor de andere. Waarom men tieners aan bejaarden uithuwelijkt. Ik zat aan het beeldscherm gekluisterd. De telefoon ging van de haak en iedereen werd met een geïrriteerde ‘Sst!’ aangemaand stil te zijn. De reportage eindigde met een Afghaanse vrouw van middelbare leeftijd, haar naam ontglipt me, die de officiële taak had het lot van haar vrouwelijke landgenoten te verbeteren. Zelf werd ze regelmatig met de dood bedreigd. Men had een private weg aangelegd tussen het huis en haar kantoor om de kans op aanslagen tot een minimum te beperken. Het is de scène die daarop volgde die me nu al een hele maand vasthoudt. De vrouw staat gebogen over het bed van een zwaar verbrand meisje, het slachtoffer van een wraakactie van haar mannelijke familieleden. Haar vingers staan krom door de strakke huid. De patiënte huilt en kermt van de pijn. Ze smeekt letterlijk om medelijden maar de vrouw beweegt niet. Zelfs met de camera’s op haar gericht kan de vrouw geen medelijden met het meisje hebben. ‘Stop met huilen.’ zegt ze, ‘Er zijn nog zoveel anderen die het veel slechter hebben dan jij!’ Haar gevoelloosheid doet me rechtveren. Ik wil haar wat medelijden in haar strot duwen! Kan oorlog ervoor zorgen dat een mens het verleert om sympathie voor een ander te voelen? Dan denk ik aan Shamsia, een jong meisje uit het begin van de reportage. Zij is geboren en opgegroeid op het slagveld van Afghanistan. Zij liep vrolijk naar school toen ze bijtend zuur over zich kreeg. Zij lacht nog steeds en knuffelt haar moeder. Zij houdt vast aan haar recht op onderwijs. Na de uitzending huil ik van frustratie. Ik wil de hand van Shamsia vasthouden en haar moed inspreken. Ik wil die vrouw wat emotie bijbrengen en Koen weet dat als ik genoeg geld had, ik nu al op de luchthaven had gestaan.

Tot volgende week,
Anne

Week 38

Beste lezer,

Niets is wat het lijkt te zijn. Dat is wat ik deze week, in mijn eerste echte les literaire creatie, heb geleerd. Een stuk tekst, gedicht of proza, kan door de auteur beladen zijn met een specifieke boodschap maar dat is slechts van triviaal belang. Niet wat de schrijver wil zeggen maar hoe hij het zegt is van belang. Tot zover mijn gepreek van deze week. Van die les is me naast de spelregels der enjambementen en haiku’s echter nog iets opgevallen. Namelijk de mapjes van Frank. Ik vermoed dat we tegen de lente van volgend jaar allemaal stapels papier met ons mee zullen zeulen naar het cultureel centrum in Aalst. Allemaal netjes geordend volgens auteur en onderwerp. Tegenwoordig kan men daarvoor in de verschillende winkels voor kantoorbenodigdheden uit een brede waaier kiezen. Ik betwijfel of je Frank ergens begin september in dergelijke zaken zult tegenkomen want terwijl ik minutenlang debatteerde over welk merk en kleur mapjes ik zou kiezen zat Frank rustig met een Duvel in de hand in het zonnetje op zijn terras. En gelijk had hij! Waarom ik daar zo zeker van ben? Ken je die kartonnen waarmee bakken bier overtrokken worden en vastgezet op de vier flesjes in de hoek? Ja? Wel, haal die kartonnen er voorzichtig af en vouw ze netjes in twee met de merknaam naar binnen en het ideale klassementsmapje is geboren. De verspreiding van dit lumineuze idee heeft mij wel een Duvel gekost maar die prijs ben ik geheel bereid te betalen. Zo tegen september, volgend jaar… Niets is wat het lijkt te zijn…

Tot volgende week,
Anne

Week 37

Beste lezer,

Verzekeringsmaatschappijen slaan ons tegenwoordig om de oren met cijfers waarin staat dat de kans om een ongeval voor te hebben het grootst is als we thuis zijn, in de hoop ons een of andere additionele polis aan te smeren. Tot voor kort dacht ik dan onmiddellijk met afgrijzen aan een nieuwsgierige kleuter die voor het fornuis staat en een hete pan met gloeiende olie over zichzelf keilt of een echtgenoot die tijdens een klusje met de drilboor van een onstabiele ladder valt. Wel, bij ons thuis niets van dat alles. Wij lopen blijkbaar pas enig gevaar als we rustig in ons bed liggen te slapen terwijl we niemand kwaad doen en nauwelijks bewegen. Nee, dat laatste moet ik nuanceren want gisteren zaten Koen en ik allebei een avondje door te werken in ons kantoor toen een harde smak ons deed opschrikken. We renden naar de slaapkamer van onze zoon om daar vast te stellen dat die zoals altijd rustig lag te slapen … op de grond. Voorzichtig legden we hem terug tussen de lakens maar zagen toen dat de rand van zijn oogkas langzaam opzwol. Een houten stoeltje had zijn val gebroken. De daaropvolgende twintig minuten kostte het ons alle moeite van de wereld om wat ijs op zijn gehavende gezichtje te leggen. Een nog steeds half slapende Niels was helemaal niet opgezet met een koude lap in zijn gezicht. Hij brulde en tierde dat we hem met rust moesten laten. Het leek wel of we hem wilden vermoorden. We gaven het op. De volgende morgen werden we gewekt door een levendige vierjarige mèt een groot blauw oog. Zo eentje dat je alleen maar in tekenfilms of goedkope komedies ziet. Niels zelf herinnert zich niets van het hele voorval maar een mooie foto dient als bewijsmateriaal…



Tot volgende week,
Anne

Week 36

Beste lezer,

Het is nazomer. Spinnen en insecten zoeken zich een weg naar warmere oorden. Bij voorkeur binnenshuis dus. Alle horren en verdelgingsproducten ten spijt. Dat merk ik iedere morgen aan de grote hoeveelheden muggenbeten die ik aanstip op Niels zijn dik opgezette oorschelpen. Er is namelijk geen vierkante millimeter meer vrij en toch vinden die zoemende rotzakjes altijd nog wel een plekje om te steken. Inwendig bid ik dat die bloedzuigers mijn van de pijn huilende kleuter de volgende nacht met rust zullen laten. Ik wil me er zelfs voor opofferen en laat de deuren van de slaapkamers open staan. Koen heeft geluk. Zijn huid is en blijft van heuvelachtige gezwellen verstoken maar ik ben zelf wel regelmatig het slachtoffer van mijn zoete bloed. Die beestjes schijnen hun stek trouwens met een aan sarcasme grenzende precisie uit te kiezen. Net zoals de oorschelpen van mijn zoon, is enkel mijn linkerarm – bij gebrek aan een rechter – een continu onder schot gehouden doel. Het is alsof die stukjes venijn weten dat ik overal kan krabben, behalve op die linker arm. Dan loop ik een hele dag geërgerd door het huis op zoek naar iets om mezelf mee te verminken. Deurposten, messen, een nieuw schuursponsje. Alles is beter dan die overheersende jeuk! Moederliefde heeft zo zijn grenzen zou je denken. Niets daarvan! Ik blijf koppig als bliksemafleider dienen. In geen tijd lijkt mijn onderarm op een profielkaart van de Himalaya. Bij veertig stop ik met tellen. Koen geeft het op om iedere beet individueel in te smeren met een jeukwerende zalf. Tegenwoordig neemt hij tweemaal per dag het hele doelwit onder handen. Waarvoor dank!
Tegenwoordig gaan Koen en ik iedere avond noodgedwongen op muggenjacht. Hij iets minder bereidwillig dan ik. We maken er een spelletje van. Om ter snelst zo veel mogelijk muggen doodmeppen…

Tot volgende week,
Anne

Week 35

Beste lezer,

Ik weet het. Ik loop het risico om door jullie, mijn trouwe publiek, als een excentrieke, arrogante trut bestempeld te worden als ik vertel dat mijn debuut Dochters van Europa momenteel twee nominaties in de wacht heeft gesleept: De Debuutprijs van boek.be en de Vrouw en Cultuur Debuutprijs uit Nederland. Die kennis bezit ik al enige tijd maar pas deze week overspoelde een golf van trots me als ik eraan dacht. Toen deze berichtjes onder de vorm van twee fijne e-mails van Annick, de persverantwoordelijke van mijn uitgeverij, me bereikten voelde ik alleen maar angst. Angst om te mislukken. Angst om die prijzen níet te winnen. Angst dat er in de toekomst meer van mij verwacht zou worden en ik die verwachtingen niet zou kunnen inlossen. Tenslotte ben ik maar per toeval in het schrijverswereldje gerold. Ik heb immers geen kaas gegeten van vertelperspectieven, ik weet niet wat het verschil is tussen vertelstijl en schrijfstijl en verhaalstructuren zeggen me al helemaal niets! Bovendien ben ik absoluut niet meer mee met de laatste spellingsregeltjes. Hoe ik dan in godsnaam ooit een vierhonderd pagina’s tellende klepper heb kunnen schrijven? Gewoon, ik begon met een leeg A4-tje en wat natte vingerwerk. Mijn graad van gekheid had er waarschijnlijk ook wel mee te maken! Daarom is mijn angst deze week omgeslagen naar trots. In zijn meest bescheiden vorm natuurlijk! In Vlaanderen hebben de literaire zwaargewichten immers geen twaalf werken gevonden die ze beter vonden dan het mijne en ik besef sinds kort dat ik nog veel ruimte voor verbetering bezit. Die nominaties hebben me wakker geschud. Vakliteratuur werd aangekocht, een actieplan werd opgesteld en volgende week rond deze tijd krijg ik voor het eerst les van een oude rot in het vak. Ja, ja. Er zit nog rek op dit kleine schrijfstertje! Waarschijnlijk win ik geen van beide prijzen maar mijn naam staat ondertussen wel mooi tussen de andere genomineerden…

Tot volgende week,
Anne

Week 34

Beste lezer,

Er is zo een moment waarop ik weet dat de rest van de dag zonder strubbelingen zal verlopen, tenminste zonder dat ik erdoor uit evenwicht zal geraken. Die dagen komen niet zo frequent voor, maar als ze aanbreken zijn ze intensief en vruchtbaar. Ik verklaar me nader. Dat magische moment gebeurt ’s morgens, iets na negen uur. Koen en Niels zijn nog geen uurtje geleden de oprit afgereden en Sally, de buurvrouw waarmee ik de vaste gewoonte heb ontwikkeld om een paar keer per week te buurten, drinkt de laatste druppels van haar tweede kopje koffie uit. Geen melk en een half klontje suiker. Zij wordt pas tegen de middag op haar werk, de keuken van een lokaal restaurant, verwacht. De koude kant maar met een warme persoonlijkheid. Als de onderwerpen kind, huishouden en de laatste fait divers achter de rug zijn, gaan Sally en ik elk onze eigen weg. Ik ruim de laatste restjes van de ontbijtboel op en doe mijn ronde door huis en tuin. Bedden worden opgemaakt, ramen naargelang het weer geopend of gesloten, pyjama’s opgevouwen. En dan gebeurt het. Ik kom plots tot de vaststelling dat er helemaal niets meer in het huishouden te doen is. De poetsvrouw is net langs geweest. Alles ligt er kraaknet bij. De voorbereidingen voor het avondmaal zijn gebeurd. Alle administratie en geregelneef heb ik de voorbije dagen weggewerkt. In de tuin is geen scheef grassprietje te bekennen. Nee, er is echt niets meer te doen. Het is stil in en rond de wijk waar ik woon en leeg in mijn hoofd. Het lijkt wel of ik in een geïsoleerde bel leef. Ik adem diep in en ga terug naar binnen. Ik maak mijn vierde en laatste kop koffie van de dag en ga ermee naar boven. In mijn kantoor zet ik mijn laptop aan. Vandaag gaat de wereld aan me voorbij … tot Koen en Niels opnieuw thuis komen.

Tot volgende week,
Anne

Week 33

Beste lezer,

Ik ben ook maar een mens. Een mens met fouten. Veel fouten. Ik heb vooroordelen. Ik doe mijn best om ze te onderdrukken, maar daar slaag ik slechts gedeeltelijk in. Zo heb ik een hekel aan alle BMW-bezitters. Het zijn arrogante klootzakken die denken dat de nulmeridiaan en de wegmarkering door hun kont loopt. Want een BMW is nu eenmaal geen gewone auto. Nee, het is een BMW. Dat ik ooit de bereidwillige hulp mocht ontvangen van een chauffeur met dergelijke wagen schuif ik snel-snel onder de mat. Vergeten? Bah, hij zal de uitzondering op de regel wel geweest zijn. Niet dus, zegt het stemmetje in mijn hoofd. Hetzelfde vooroordeel heb ik ten opzichte van honden en dan meer bepaald van hun baasjes. Ze schijnen niet te weten dat de leiband in dit land verplicht is! Overal kom je die betweterige types tegen. Op de dijk langs de Durme en de Schelde, in het bos, op het speelplein. Daar lopen kleine kinderen rond, verdomme! Elke keer als ik, tijdens het afwerken van mijn wekelijkse kilometers, dergelijke types tegenkom, begint mijn hartslagmeter driftig te piepen alsof hij me waarschuwt mijn geweten dit keer niet te onderdrukken. "Het is nen braven ze, madam", is iedere keer weer het antwoord als je de baasjes aanspreekt over de afwezigheid van de bewuste leiband. Kan wel zijn, mijnheer, maar hoe komt het dan dat u vruchteloos probeert het mormel onder controle te krijgen terwijl die tegen me opspringt, denk ik dan. Het is zelfs al een excuus geworden om niet te gaan joggen. De kans bestaat immers dat ik er weer eens eentje zonder leiband tegen kom. Het stemmetje zegt me dat ik op de tien kilometer die ik meestal loop, een vijftal baasjes tegenkom waarvan er slechts een het bestaan van de leiband niet kent. Tijd om naar dat stemmetje te luisteren. Mijn vooroordeel berg ik zo ver mogelijk op. Toch zal men ten huize Ferket–Baaths nooit een hond zien kwispelen noch een BMW op de oprit zien staan…

Tot volgende week,
Anne

Week 32

Beste lezer,

Een paar weken geleden moest Koen voor zijn bedrijf gedurende vijf dagen naar Manchester. Ik zag er tegenop. Hij vond het vooral spannend, zo’n eerste keer. Nu zijn Koen en ik een heel hecht koppel. Soms lijken we meer op twee beste vrienden. De voorbereidingen van ons huwelijk, de verschillende verhuizingen, met Niels op gezinsuitstap, het huishouden, alles doen we samen en toen zou Koen ineens voor vijf dagen weggaan. Links of rechts hoorde ik wel eens een opmerking dat dit nu eenmaal bij een in stijgende lijn gaande carrière hoorde maar in de donkerste wandelgangen wisten enkele goede vriendinnen me te vertellen dat ook zij, om diverse redenen, met enige tegenzin naar de meerdaagse zakenreizen van hun wederhelften uitkeken. Mijn redenen lagen voor de hand. Ten eerste was er de eenzaamheid waar ik moeilijk mee om kan, ten tweede mijn fysieke handicap, die de neiging vertoont door allen, inclusief mezelf, vergeten te worden. Doorgaans moet ik met enige regelmaat op mijn echtgenoot kunnen rekenen. Ik kan je bijvoorbeeld verzekeren dat als Niels, met zijn volle twintig kilo, beslist om in het midden van de vloer een driftbui te ontwikkelen, ik daar met die ene arm weinig meer aan kan doen dan op het hele tafereel kijken en wachten tot het over is. Mijn zoon heeft deze eigenschap jammer genoeg tot een kunst verheven. Om nog maar te zwijgen van de dagelijkse hel om een warme maaltijd op tafel te toveren. Vaak beperkt die zich tot een pizza of een diepvriesmaaltijd. Uiteindelijk zijn we die vijf dagen redelijk goed doorgekomen mede dankzij de kookkunsten van mijn schoonmoeder en haar zus. Maar de eenzaamheid, daar kon niemand een recept voor bedenken. Ik herinner me de intro van de film Indecent Proposal: "If you want something very badly, set it free. If it comes back to you, it’s yours forever. If it doesn’t, it was never yours to begin with." Koen is natuurlijk netjes teruggekeerd uit Manchester. Ik gun mijn man zijn succes maar diep vanbinnen hoop ik dat zijn baas hem de komende tijd niet meer op buitenlandse missie stuurt…

Tot volgende week,
Anne

Week 31

Beste lezer,

Maandag 26 juli. Dit jaar heb ik, nog meer dan andere jaren, last van decompressie. Het zwarte gat. Ik weet niet waarom maar ik zie op tegen de volgende negenenveertig weken zonder de Ronde van Frankrijk. Ja, net zoals vele anderen die hun dagindeling vrij kunnen kiezen, zit ik de eerste drie weken van de zomervakantie steevast aan het kleine scherm gekluisterd, met de zapper in de ene en mijn mobieltje in de andere hand. Want ook echtgenoot lief, gevangen in een muf Antwerps kantoor, wil op de hoogte gehouden worden van de belangrijkste ontwikkelingen in de meest mythische rittenwedstrijd ter wereld. Hij begrijpt mijn obsessie en was enkele jaren geleden zelfs bereid om op een ontiegelijk vroeg uur samen met zijn hoogzwangere vrouw een goed plekje te zoeken op de Koppenberg. Of het aan de ranke dijen van Andy Schleck ligt of de drang om de opgang en ondergang van helden van dichtbij mee te maken, weet ik niet. Wat kan ik eraan doen? Ik ben nu eenmaal een freak. Dat was vroeger ook al zo. Als student ging mijn liefde voor de Tour zo ver dat ik elk zomerbaantje in juli afsloeg en tot diep in de nacht naar de nabeschouwingen van Mark Uytterhoeven en zijn collega’s uit de ons omringende landen keek. Ondertussen is Mark vervangen door Karl, maar mijn liefde is gebleven. Ik vraag me af waarom mijn absolute passie voor het wielrennen zo oncontroleerbaar is. Hebben we allemaal een held nodig om naar op te kijken of willen we graag zelf die held zijn? Hebben we dromen nodig? Moeten die onbereikbaar zijn? Ikzelf heb noodgedwongen de fiets aan de haak moeten hangen maar diep vanbinnen wil ik nog steeds een heldin, een inspiratiebron zijn. Hoezo, als schrijver ben ik toch ook al een inspiratiebron! Het voelt niet zo aan want die droom heb ik, gedeeltelijk, al bereikt. De woorden waarmee Karl Vannieuwkerke dit jaar Tour 2010 afsloot schieten me te binnen. ‘Dromen mogen niet onmiddellijk bewaarheid worden. Het is belangrijk er een beetje achteraan te moeten jagen…’

Tot volgende week,
Anne

Week 29

Beste lezer,

Acht jaar en zes maanden lang dik tegen je goesting naar het voetbal. Waarom? Omdat het iedere zondagvoormiddag weer hetzelfde liedje was. Koen zat op het toilet zijn zenuwen weg te drukken terwijl ik probeerde Niels van een rugzakje met afleidingsmateriaal te voorzien. Biddend om de rest van de middag zonder gezeur door te komen. Biddend dat het eens niet regende. Uiteindelijk gebeurde er negentig minuten lang niets. Een bal werd weggetrapt om ergens anders weer opgehaald te worden. Ik verbeet vloekend de kou. Het regende. Alweer. Alleen de voetbalgoden komen op het belachelijke idee om van een buitensport een wintergebeuren te maken. Ik had ook gewoon thuis kunnen blijven? Het was kiezen tussen de pest of de cholera. Van maandag tot vrijdag zat ik ook al thuis. Die vier muren herken ik ondertussen wel met mijn ogen dicht. Luister, het is niet de kou die de hoofdreden vormt voor mijn aversie tegen het spel maar de was. Drie maal per week vloeken omdat Koen zijn kniehoge voetbalkousen steeds weer als een bolletje de wasmachine in had gekeild. Als je dan bedenkt dat ik diezelfde kousen iedere tweehonderd vijfenvijftig competitiewedstrijden, vierenzestig voorbereidingswedstrijden en bijna zeshonderd trainingen liefdevol geplooid en in zijn tas gestoken heb, begrijp je vast wel waarom ik blij ben dat het eindelijk voorbij is. En toch… toch had niet Koen maar ik na afloop van het kampioenenbal een krop in de keel. Er zijn slechts zoveel zaken die je op zondag kan doen. Tegenwoordig moeten we creatief zijn om onze tijd te vullen. Tijdens de week is Koen alle avonden thuis dus ben ik de controle over de zapper voorgoed kwijt. Iemand nog nood aan een verdedigende middenvelder voor volgend seizoen?

Tot volgende keer,
Anne

P.S.: Door een welverdiende vakantie van Alain, de webmaster, zal er volgende week geen column verschijnen.

Week 28

Beste lezer,

Een tijd geleden werd ik door Deus ex Machina, een literair tijdschrift, uitgenodigd voor een fotoreportage. Het opzet was om enkele licht erotische foto’s te maken in de stijl van de jaren dertig. Erg vintage dus. Ik mag dan wel niet over de maatschappelijk aanvaarde ideale maten beschikken en hier en daar ontbreekt er een stukje maar toch wilde ik het aanbod niet afslaan. Waarom? Omdat ik een dergelijke reportage nog nooit gedaan had. Voor alles een eerste keer zeg maar. Mijn stervende grootvader vertelde mij twintig jaar geleden dat hij geen spijt had van de zaken die hij verkeerd had gedaan, wel van die, die hij niet had gedaan. Ik heb dat altijd in mijn geheugen geprent.
Zo eindigde ik op een van de eerste warme dagen van deze lente via de achterdeur, want de voordeur klemde, in de gedateerde keuken van een zevenenzeventig jarige vrouw en haar inwonende volwassen zoon. Ik kreeg een glas water om de zenuwen door te spoelen en zag dat de oven dienst deed als opbergmeubel. Die had zijn laatste cake gebakken. De bejaarde dame leidde me rond in haar woonkamer en toonde me trots haar collectie ‘Bervoetsen’. Ik ken het verschil tussen een Rubens, een Van Gogh of een Monet dankzij enkele lessen esthetiek uit de humaniora maar ik ben geen schilder en Bervoets zei me tot voor kort niet veel. Ik wenste dat er wodka in plaats van water in mijn glas zat. Geduld veinzend bekeek ik de verzameling tot haar zoon, Mozes, me kwam vertellen dat zijn studio klaar was. Daar werden enkele kledingstukken geëvalueerd op hun geschiktheid. Onwennig kleedde ik me uit. Er was geen gordijn waarachter ik me kon verschuilen voor zijn blikken en ik kreeg onomwonden te horen wat hij van mijn lichaam vond. Dat gaf me zelfvertrouwen. We startten de reportage in volledige klederdracht die ik langzaam van mijn huid afpelde tot... Hoe de reportage eindigde zien jullie in het juli nummer van DEM. Ik kan wel vertellen dat ik het een erg leuke ervaring vond. Als ze het me morgen vragen, doe ik het opnieuw maar dan liefst zonder ‘Bervoetsen’ en met een glas wodka…

Tot volgende week,
Anne

Week 27

Beste lezer,

Kleuters vinden de meest originele nieuwe woorden uit. Onze Niels, nu vier en een half, doet de laatste tijd in dat domein ook flink zijn best. De bermen van Toscaanse wegen zijn letterlijk bezaaid met gevaarsborden. Eentje voor gevaarlijke bochten, eentje voor sneeuwkettingen, eentje voor slipgevaar, … Die verkeersborden gelden dan voor pakweg de volgende paar kilometer. Wat blijkt: twee kilometer verder staan exact dezelfde waarschuwingen … voor opnieuw een welbepaald aantal kilometers en dat gaat zo maar door. De meest voorkomende is wel de rode driehoek met de afbeelding van een wegspringend hert. Ik droom een eind weg wanneer een krijs op de achterbank van onze wagen me terug naar de realiteit brengt. ‘Bambibord!’ ‘Nee, Niels, dat is een gevaarsbord met een hert.’ ‘Waarom?’ Zijn standaardvraag op zowat alles wat we tegenwoordig tegen hem zeggen. ‘Omdat hier herten in het bos wonen die misschien over willen steken. Daarom moeten wij goed opletten.’ ‘Een bambibord dus?’ Ik zucht en geef het op. ‘Ja.’ Met uitzondering van drie lama’s hebben we de hele vakantie niets gezien dat op een hert leek. Verkeersborden des te meer en iedere keer we er eentje passeerden: ‘Bambibord!’
En dan moet zijn origineelste creatie nog komen. Deze morgen bracht ik Niels voor het eerst deze zomer naar de opvang hier in Hamme. Onderweg vroeg hij me wanneer we nog eens naar de stille boekenwinkel gingen. Stille boekenwinkel?!? Ik hoorde het in Keulen donderen en vroeg om verduidelijking. ‘Wel mama, de boekenwinkel waar we eerst heel stilletjes boeken kopen en ze daarna weer moeten terugbrengen.’ We waren net de bibliotheek in ’t Achterhof gepasseerd … Stille boekenwinkel, bambibord. Geef toe, er zit toch wel wat logica in de woordcreatie van een kleuter.

Tot volgende week,
Anne

Week 26

Beste lezer,

Niemand die me kent zal kunnen ontkennen dat ik een kletswijf ben. Tijdens groepsgesprekken voer ik vaak - zeg maar meestal - het hoge woord, maar wat weinigen weten is dat ik ondertussen ook alles gezien heb. Wie zei er ook al weer dat vrouwen meer dan een ding tegelijk aankunnen? Gelijk had die! Iedere steelse blik tussen twee mensen, iedere stilte als een onbekende zich in een discussie wringt. Alles heb ik gezien. Mijn man, de stille vennoot, heeft niets gezien maar alles gehoord. Ik concentreer me bijna nauwelijks op wat mensen zeggen maar op hoe ze het zeggen. Communicatie is negentig procent non-verbaal! Ik observeer, evalueer en decideer. Tijdens de laatste week van onze vakantie onder Toscaanse zon richtte ik mijn aandacht op Pierre…
Je hebt zo van die mensen die over een gave beschikken. Dan heb ik het niet over een zesde zintuig … of misschien toch wel maar dan in een geheel andere betekenis. Ze lopen kamers in en iedereen weet meteen dat ze er zijn, zonder hen gezien te hebben, zonder hen gehoord te hebben. Iedereen kan zich meteen iemand voor de geest halen die aan deze beschrijving beantwoordt. Wel zo iemand was Pierre. Hij en zijn vrouw, beiden op gepensioneerde leeftijd, voegden zich in de tweede week van onze vakantie bij de gasten op Erika’s berg. Het betekende een significant verschil in de groepssfeer. Waar men tijdens de eerste week meteen na het dessert de slaapkamers opzocht, bleef het overgrote deel van de gasten tijdens de tweede week plakken. Iedere avond opnieuw diepte een vrijwilliger een fles Chianti op als een jachttrofee uit zijn net aangevulde buit souvenirs. Pierre vormde het cement tussen de bakstenen. Hij maakte van zes koppels een groep. Iedereen zweeg als hij vertelde en toch vertelde hij niet zo veel. Hij stuurde de vakantiegangers bijna onbemerkt van het ene gespreksonderwerp naar het andere, gewapend met een kurkentrekker. Pierre was zonder meer een charismatisch man. Ik vroeg me af welke positie hij in zijn carrière bekleed had. Ik heb er een paar keer naar lopen vissen, zonder resultaat. Veel meer dan: ‘Ik heb veel moeten afdragen aan de belastingen’ kwam ik niet. Ik gok op een ceo of toch minstens een vakbekwame hr-manager.
Af en toe zag ik hem met mijn man een apart gesprek beginnen. Dan zag ik de scherpe blik van Pierre over de groep dwalen. Hij observeerde, evalueerde en decideerde als een oude leeuw die de kneepjes van het vak aan zijn opvolger leert. Ik zal moeten opletten…

Tot volgende week,
Anne

Week 25

Beste lezer,

Nog niet zo gek lang geleden hadden Koen en ik een kat. Hij was van top tot teen zwart en vanaf het moment dat hij in ons gezin werd opgenomen gedroeg hij zich als een leeuw. Met zijn frêle lijfje dacht hij de hele wereld aan te kunnen. Hij deinsde er niet voor terug om anderen, mens en dier, die zijn gewicht met het twintigvoudige overklasten, te lijf te gaan. De kleine kat kreeg vanwege zijn onuitputtelijke moed de toepasselijke naam Simba toebedeeld. Die deed hij alle eer aan. ’s Nachts maakte hij de buurt onveilig, overdag hield hij zijn bazinnetje gezelschap. Jammer genoeg ving hij nooit muizen maar zijn grote ronde ogen, die de wereld verbaast evalueerden, zullen me altijd bijblijven. Simba leek een noodzakelijke schakel om ons jonge gezinnetje compleet te maken. Tot kleine Niels in beeld kwam. Pas op, met een baasje méér had stoere Simba geen probleem. Integendeel. Als de baby huilde was de kleine kater de eerste die over de rand van de wieg piepte om er zich van te verzekeren dat alles in orde was. Maar de liefde voor zijn kersverse baasje ging ons wat te ver toen we kind en kat meermaals in het babybedje aantroffen, lekker dicht tegen elkaar aangedrukt. Het onvermijdelijke werd uitgesteld maar na een half jaar moesten we Simba naar het asiel brengen. Dat is nu vier jaar geleden.
Groot was onze verwondering toen we ten huize Amolive in Toscane verwelkomd werden door een spierwitte kat. Met zijn grote ogen als schoteltjes leek hij uit een andere wereld te komen. Erika had hem enkele jaren geleden uit een afvalcontainer gered en hem in huis opgenomen. Onze gastvrouw beweerde dat hij echter nooit muizen ving. Hij luisterde naar de naam … Simba.
Ook met onze Simba is alles nog goed gekomen. Vijf minuten nadat we hem in het asiel hadden achtergelaten, heeft een ander gezin hem mee naar huis genomen. Niels bewaart nog steeds een foto van de zwarte kater tussen zijn spullen…

Tot volgende week,
Anne

Week 24

Beste lezer,

De voorbije weken heb ik een wereld door de ogen van een buitenstaander mogen aanschouwen. Ik moet de journalist van een bekend reismagazine gelijk geven. Die zei dat God in Frankrijk leeft, maar dat hij toch minstens een paar maand per jaar op vakantie ging in Toscane.
Voor veel toeristen is dit de streek van de De Medici’s, de Ponte Vecchio en de eeuwig aanwezige zon. Of de trotse Chiantihaan die over de keurig gerangschikte wijnranken waakt. Begrijp me niet verkeerd, de voorgaande opsomming was ook voor mij Toscane. Maar er was meer, veel meer.
Iedereen die deze column volgt zal gemerkt hebben dat er de laatste twee, drie maanden niets meer van terecht kwam. Een massief groot writersblock zat tussen mij en mijn inspiratie gekneld. De oververmoeidheid, een niet zo gezellige buurman, een ongewenst maar noodzakelijk bezoek aan een Vrederechter, vernielzuchtige poetshulpen, helemaal geen poetshulp, een bijbaantje dat me niet lag en onze onvervulde kinderwens lagen aan de basis hiervan. Twee weken op zoek naar mezelf onder een olijfboom aan de rand van een ontiegelijk klein dorpje met nauwelijks tweehonderd inwoners moest soelaas brengen.
En dat is godzijdank of dankzij God ook gelukt. Zijn jaarlijkse tussenstop in Toscane had dit jaar meer dan het gewenste effect. Het resultaat daarvan zal je de volgende weken kunnen lezen.
Ja, ook voor mij was Toscane de streek van de De Medici’s, de Ponte Vecchio en veel zon. Maar vooral ook van de Bambiborden, de grote rollen hooi, van de stille boekenwinkel, van Pierre, de man die niets deed, van de wederopstanding van Simba, en zelfs van mijn zeurende kleuter die ik meerdere keren een heuvel opsleurde bracht de voorbije weken verlichting. Al deze ontmoetingen en voorvallen, hoe klein ook, deden me voelen dat ik leefde. Want zowel geluk als verdriet voelen is zoveel beter dan helemaal niets ervaren.

Hopelijk tot volgende week,
Anne

Week 13

Beste lezer,

Ik was op de loop voor mijn eigen schaamte. Onlangs heeft mijn gezin aan massatoerisme gedaan. Uit principe bezondigen we ons daar niet gauw aan, maar een vierjarige kleuter is niet meer tevreden met een wandeling in het bos of een rit door het heuvelland. Om Niels tevreden te stellen moet de ideale vakantie actie, water en … water bevatten. Center Parcs dus. Nu ben ik zelf een waterminnend schepsel en in een niet zo ver verleden beviel ik onder water, dus heb ik er op zich niets op tegen, maar ik zie alleen enorm op tegen het drie keer per dag aan- en uitkleden in die veel te kleine kleedhokjes met sloten die niet werken en een zoon die vindt dat het allemaal wel een beetje sneller mag gaan want híj wil nú in het water! Daar sta ik dan, mijn ene voet voor de zekerheid de deur dicht houdend terwijl ik Niels help met het aantrekken van zijn plakkerige steeds oprollende zwembroekje omdat die nog vochtig is van de vorige zwembeurt. Mijn man probeert zelf zo weinig mogelijk plaats in te nemen maar slaagt daar jammer genoeg niet in. Armen, benen en billen botsen voordurend tegen elkaar terwijl we alle drie proberen ons in onze badpakken te hijsen. Ik neem me luid vloekend voor in de toekomst de grote gemeenschappelijke gezinskleedkamer te gebruiken. En dat doen we. Ik heb mijn zoon net geholpen met afdrogen wanneer ik merk dat een koppel in een andere hoek van de ruimte me enkele verholen blikken toewerpen terwijl ze elkaar aanstoten. Daar heb je het al! Nu weet ik meteen weer waarom de kleinere cabines aantrekkelijker zijn. Vooral de man blijft me aanstaren. Ik doe alsof ik het niet opmerk maar vanbinnen kook ik. Ja, ik sleur tegenwoordig wat overgewicht met me mee! En dan?! Heb je jezelf al eens bekeken, klootzak! Ze blijven kijken en fluisteren. In mijn hoofd gaat het denkbeeldige gesprek verder: Nog nooit iemand met één arm gezien misschien! Let op, straks bijt ik! Het lijkt alsof de man mijn gedachten geraden heeft want hij concentreert zich voor de rest van de tijd op zijn sporttas. Wanneer we aangekleed zijn en onze weg naar buiten zoeken spreekt de onbekende me aan. Nu gaan we het hebben! Denk ik. De man neemt het woord. Of het zou kunnen dat ik de auteur van ‘Dochters van Europa’ ben. Euh, ja. Hij vond het een prachtig verhaal en heeft het boek aan zijn vrouw aangeraden die het momenteel leest. Het schaamrood stijgt me naar de wangen. Morgen toch weer een kleiner kleedhokje…

Tot volgende week,
Anne

Week 12

Beste lezer,

Ik ben weer eens gestart met een volgend manuscript. Het verhaal zat al een tijdje tussen mijn oren. Mijn ideeënboekje werd de voorbije maanden behoorlijk mismeesterd. Schetsen van gebouwen, karakterbeschrijvingen, notities van interviews. Allemaal vonden ze hun plaats in mijn kleine met grijze kaft omhulde ziel. En nu, nu komt het er eindelijk uit. De periode waar mijn naasten voor vrezen is weer aangebroken. Ik duik achter mijn computer en val de letters op het toetsenbord driftig aan. Genadeloos. Tijd en ruimte vergeten. Ik haat de rinkelende telefoon die me enkele keren per dag uit mijn concentratie haalt en ongevraagd stemmen in mijn hoofd uitspuwt. Stemmen die er niet horen. Stemmen die niet bij mijn verhaal passen. Stemmen die me vragen dingen te doen waar ik geen zin in heb. Nee, ik wil niet naar de bakker om brood. Ik wil hier naar het suizen van mijn laptop luisteren. Zelfs de sanitaire stops probeer ik tot een minimum te beperken door nauwelijks te drinken. ’s Avonds om vijf uur wordt het nog erger. Dan heb ik een hele dag niet gegeten en dat maakt me humeurig en net op dat moment moet ik mijn zoon van school afhalen. De opvang is maar tot dan. Jammer, denkt de schrijfster in mij. De moeder schaamt zich. Dik tegen mijn goesting maak ik iets klaar dat op een warme maaltijd zou moeten lijken en van zodra de andere helft van mijn trouwboekje thuis is, verdwijn ik terug naar boven. Tijdens het weekend proberen mijn gezinsleden me te verleiden tot een boterham. Ik bijt ze toe dat ze me met rust moeten laten. Ze mogen al blij zijn dat ik me in de nok van het huis terugtrek en niet zoals een van mijn collega’s ostentatief in de woonkamer ga zitten tikken terwijl ik iedereen om me heen gebied stil te zijn. Laat het duidelijk zijn: ik doe geen concessies met mijn omgeving als ik midden in het schrijfproces van een manuscript zit. Dat was vroeger ook al. Ik herinner me dat ik zowat de laatste was die wist dat de Fortis-aandelen niets meer waard waren. Al goed dat ik geen aandelen bezit.

Dus ik leg de hoorn van de haak en trek me terug in mijn fantasie. Ik zal net iets sneller roepen op mijn ondeugend kind. Ik zal bot zijn. Ik zal geen tijd meer voor je hebben. Ik zal voor even een egoïst zijn. Maar… ik zal schrijven. Men weze gewaarschuwd!

Tot volgende week,
Anne

Week 11

Beste lezer,

Heb jij dat ook soms? Stel dat je in gesprek bent met iemand en die gebruikt een woord waar jij in de verste verte de betekenis niet van vermoedt. Ook de context helpt je geen sikkepit verder. Je hebt de keuze: Je doet of je neus bloedt en lult jezelf uit de situatie terwijl je jezelf inwendig plechtig belooft later het bewuste woord op te zoeken in een woordenboek. Met een laatste krachtinspanning van je geheugen probeer je het woord te onthouden, wat achteraf toch vergeefse moeite bleek te zijn. Of je spreekt jezelf vijf minuten edele moed in en vraagt je gesprekspartner onomwonden wat dat woord betekent. Maar dan loop je het risico de komende maanden voor oerdom versleten te worden. Wel, met enige schaamte moet ik bekennen dat ik dat dus ook heb. Vooral met stijlfiguren. Ik bedoel, ik weet best wel wat sarcasme, paradox of alliteratie betekent maar vraag me niet zonder spiekbriefje waar een enumeratie, homoioteleuton of oxymoron voor staat. Laten we maar zeggen dat ik die dag in de les Nederlands naar buiten aan het staren was, in plaats van op te letten. Met deze bekentenis val ik waarschijnlijk bij menig opgeneukte taalvirtuoos door de mand, maar dat laat me Siberisch koud. Alle gekheid op een stokje, dit soort onzinnige wijsheden maakt van mij geen betere of slechtere schrijver. Ja, ik ben er zo eentje. Eentje die niet gestudeerd heeft om boeken te schrijven. Boeken schrijven is geen exacte wetenschap. Ik schrijf vanuit mijn buik. Mijn buik vertelt me wat een goed of slecht boek is. Zo doe ik mijn uiterste best om deze column zonder tikfouten naar mijn webmaster te verzenden of een manuscript zo feilloos mogelijk aan mijn uitgever te bezorgen. Maar met alle respect. Na de zevende overlezing blijft zelfs de stomste dt-fout wel eens onaangeroerd staan. Werk voor de eindredactie hoop ik dan. Geef toe! Jij hebt even goed van deze column genoten. Trouwens, zonder het te weten heb ik in de voorbije driehonderd vijfenveertig woorden blijkbaar een mooie enumeratie, homoioleleuton en oxymoron verwerkt. Waar lag dat woordenboek ook alweer?

Tot volgende week,
Anne

Week 10

Beste lezer,

Woorden. Bij sommige is het liefde op het eerste gehoor, bij anderen niet. Dat zijn dan lelijke woorden. De eerste zijn bijgevolg de mooie woorden. Je koestert ze, drukt ze aan je ziel en zweert op je hart dat ze met honderd procent zekerheid in een volgend manuscript een rechtmatige plek zullen bemachtigen. Soms lukt dat en soms niet, want niets is zo tijdelijk, zo van voorbijgaande aard dan de liefde van een passionele schrijver voor een bepaald woord. Liefde en passie. Ook twee mooie woorden. Groot was dus mijn verbazing toen ze verboden bleken te zijn.
Laat me even teruggaan in de tijd. Elke trouwe lezer van deze wekelijkse column weet dat ik strijd voor een behoorlijk schrijversstatuut. Een auteur kan zich in mijn ogen pas een volwaardig artiest noemen als hij of zij er al de tijd en energie instopt die nodig is om het perfecte manuscript af te leveren. Het was dan ook met pijn in het hart dat ik enkele weken geleden heb besloten een paar dagen in de week te reserveren voor een bijbaantje. Ach, het verruimt de horizon, zullen we maar zeggen en tenslotte ontmoet ik zo eens iemand anders dan de andere helft van mijn trouwboekje… Een van de eerste dagen op mijn nieuwe werk kreeg ik wat uitleg van de dienstdoende informaticadeskundige. Ook het mogelijke misbruik via e-mail en dergelijke kwam ter sprake. Blijkbaar werd uitgaande post met woorden zoals love en passion systematisch gefilterd en geblokkeerd. Nu begrijp ik best dat zulke woorden door een bepaald publiek met opzet misbruikt kunnen worden maar deze op mooie woorden verliefde schrijver denkt daar niet aan… en mijn baas blijkbaar ook niet. Die schreef, in het Engels, een algemene mail om de nieuwe collega voor te stellen aan de medewerkers in binnen- en buitenland. Daarbij kon hij het niet laten mijn passie voor de literatuur, met link naar deze website (waarvoor dank), aan iedereen kenbaar te maken. Lichtelijk geamuseerd stuurde ik het bewuste bericht naar mijn echtgenoot. Nog geen twee minuten later gebeurde het onvermijdelijke. Ik kreeg een standaard bericht, met filter.
Jammer dat mooie woorden in de wereld van vandaag verboden zijn omdat er een paar klootzakken zijn die ze eventueel zouden kunnen misbruiken. Desondanks blijf ik verliefd op mijn passie.

Tot volgende week,
Anne

Week 9

Beste lezer,

Als schrijver van literair werk hoor ik twee vragen regelmatig terugkeren. De eerste is eerder verrassend: ‘Anne, ik heb een boek geschreven, wil jij hem eens aan je uitgeverij geven?’ of de variant: ‘Ik heb mijn leven eens opgeschreven. Wil jij er een boek over schrijven?’ Het spijt me te moeten zeggen dat ik in beide gevallen niet in zal gaan op de bedoelingen van mijn gesprekspartner. Het is zoals de vriendschapsvoorstellen op Facebook en dergelijke. Ik hap alleen maar toe als ik de persoon echt ken en als het de moeite waard is. Tot op heden heb ik dat nog niet ervaren na een eerste lezing van de occasioneel toegestuurde werkjes en daarom belanden deze tot mijn schaamte onbeantwoord in de prullenbak.
De tweede vraag die ik steeds vaker hoor klinken zal bij menig collega een herkennende glimlach op het gelaat toveren: ‘Waar haal jij de inspiratie vandaan om hele boeken te schrijven?’ Daarop kan geen enkele schrijver in één zin antwoorden. Voor mij persoonlijk kan dat een vrouw zijn die op een aparte manier over het voetpad wandelt terwijl ik langs haar met de auto passeer of een man die in het park op een bank zit te dagdromen. Het kan zelfs een mooi woord zijn dat ik per toeval ergens opvang. Alles wat mijn creatieve tentakels opvangen wordt zorgvuldig in een klein boekje opgeschreven dat ik overal en altijd met mij meezeul. Het is als mijn ziel die ik met me meedraag. Een idee voor een boek moet rijpen als goede wijn. Pas wanneer ik het lang genoeg over mijn tong heb laten glijden zodat de smaak in iedere hersencel ingeprent zit, begin ik te schrijven. Dat proces kan eender waar gebeuren. Terwijl ik de boterhammen smeer voor mijn zoon, naar een afspraak rijd of op het toilet zit. Ja, vooral wanneer ik een sanitaire stop inlas lijken ideeën het best op smaak te komen. Dus wanneer iemand me de volgende keer vraagt waar ik mijn inspiratie vandaan haal, antwoord ik doodleuk: ‘Op het toilet!’

Tot volgende week,
Anne

Week 8

Beste lezer,

Dag op dag een jaar geleden kreeg ik voor het eerst mijn debuutroman in de handen gestopt. Veerle, mijn uitgeefster, was trots. Of het me wat deed? Ik keek verward naar de driehonderd zevenentachtig pagina’s tellende turf voor me. De emotie die me toen overviel kwam nog het meest in de buurt van een teleurstelling. Dezelfde soort teleurstelling die ik had ervaren toen mijn gezin een jaar daarvoor onze nieuwbouwwoning in Hamme betrok. Het dorp had hoegenaamd niets met dat gevoel te maken, de lijdensweg eindelijk een eigen dak boven het hoofd te hebben wel. Anderhalf jaar lang hadden we gezwoegd, getravakt. Diep in de winter met temperaturen nauwelijks boven nul hadden mijn man en ik tegels tegen de badkamermuren gekleefd tot onze vingertoppen blauw zagen, de huid scheurde en diepe bloederige kloven zichtbaar werden. De tuin, niet meer dan een hoop bouwafval met onkruid op, moest door het ingesloten perceel met de hand omgespit worden. Kortom, we hadden naar de finale van het project uitgekeken als naar een licht aan het einde van een immens lange donkere tunnel. Toen dat licht eenmaal bereikt was bleef er alleen een matig enthousiasme over. Natuurlijk waren we blij dat we eindelijk in ons eigen huis konden slapen maar het avontuur had ons zo veel energie gekost dat dit afbreuk deed aan de overwinning. Was het dit nu? Ik wist elke leiding zitten, elk schoonheidsfoutje en nu ik begreep wat er achter het pleister verborgen zat leek het resultaat minder mooi.
Of mijn debuut me wat deed? Eerlijk? Nee, ik was blij dat ik ervan af was, dat ook dit project ten einde liep. Ik had er jaren op gezwoegd, getravakt en toen ik het eindelijk in mijn handen had, deed het me niets. Ik bladerde even door het exemplaar, rook aan de verse inkt op het kraakheldere papier, een minuscuul moment van verzadiging, en zette mijn eerste literaire kind in de boekenkast tussen alle andere.

Tot volgende week,
Anne

Week 7

Beste lezer,

Wanneer had jij voor het laatst post? Nee, niet in je mailbox. Post in je brievenbus. Je weet wel, die gleuf op de rooilijn tussen straatkant en jouw eigendom. Die blikken doos die tegenwoordig alleen maar reclamefolders, buurtkrantjes en rekeningen uitspuwt en zelfs dat laatste dringen ze je tegenwoordig via virtuele weg op. Vorige week nog? Ach, een geboortekaartje van een kennis. Ja, daar lijkt die arme brievenbus aan te bezwijken want met uitzondering van occasionele geboortes, huwelijken, overlijdens en de jaarlijkse eindejaarsrush naar het postpunt weet niemand meer hoe een postzegel eruit ziet. Leg je kind in tijden van email, sms en blackberry maar eens uit dat je het vroeger ‘aanvroeg’ met je lief via een echte papieren liefdesbrief in een even authentieke enveloppe. Dat je dagen moest wachten tegen dat die op zijn bestemming arriveerde en, als het object van jouw affectie zo vriendelijk was om meteen een reactie te bedenken, jij evenveel dagen moest wachten eer je het zo fel begeerde antwoord kon lezen.
Echte post dus. Zoals een brief van iemand die je iets op originele wijze wil meedelen. Nu wordt het moeilijk, hé? Eerlijk? Ik moest zelf ook even nadenken, hoor. Mijn laatst ontvangen brief dateert van vorige zomer. Daarvoor was het ook alweer anderhalf jaar geleden dat ik er nog eens een had gekregen. Ik heb het onthouden omdat ik die van vorige zomer bij heb gehouden. Zo speciaal vond ik het. Hij kwam van Ellen, mijn beste vriendin. Ze was met vakantie in het zuiden van Frankrijk en had geen toegang tot de moderne communicatiemiddelen, zoals dat heet. Ellen had net mijn debuut uitgelezen en was daar zo van onder de indruk dat ze niet kon wachten tot ze thuis was om haar hart te luchten. Daarom besloot ze haar emoties neer te schrijven en ze me op te sturen. Dank je Ellen, om mijn brievenbus te gebruiken waarvoor ze dient. Een echte brief, met echte gevoelens.
Het is Valentijn en zelfs in tijden van crisis koopt iedereen erop los. Dit jaar neem ik me voor daar niet aan mee te doen. Deed ik vroeger ook al niet maar kom. Ik schrijf mijn wederhelft een brief. Een echte, met echte gevoelens, op papier, in een enveloppe met een postzegel naar ons eigen adres.

Tot volgende week,
Anne

Week 6

Beste lezer,

Alle klaagzangen van literaire auteurs ten spijt maar er bestaat tot op heden nog steeds geen behoorlijk statutair vangnet voor de scheppend artiest. De uit de hand gelopen ‘hobby’ van mijn collega’s en mij dwingen ons vaak tot de bedelstand. Men hoort nogal eens zeggen dat je het zout op je patatten niet eens verdient. Nu ja, de patatten zelf ook niet, bedenk jij je sarcastisch. Hoezo? De lancering vorig jaar van je debuut ging toch een kleine duizend keer van hand tot hand? Een bescheiden succesje. Niet? Ja, oké. Daar houd je ruw geschat ongeveer evenveel euro’s aan over als er exemplaren over de toonbank gingen. En lezingen? Een beginnend auteur heeft het daar nogal eens moeilijk mee. Jij had er vorig jaar eentje die bezoldigd was, de overige waren vriendendiensten of werd betaald in flessen wijn. Verder is het geen vetpot. Dus als je alles optelt heb je aan het werk waar je een jaar lang je hart en ziel instopt grofweg een netto maandloon overgehouden. Over de kosten die je in die periode aan papier, inkt enzovoort hebt gemaakt zullen we maar niet beginnen zeker?
Maar er is, zoals dat vaak het geval is, een maar … Het artiestenmilieu is een erg informele sector. Je valt terug op een sociaal netwerk. Als je iemand kan helpen door hem of haar aan interessante kennissen voor te stellen die de carrière een extra duwtje in de rug kan bezorgen, dan doe je dat. Vanzelfsprekend. Ooit retourneert men deze vriendendienst wel eens. Zo wordt je uitgenodigd voor een gratis concert, de wereldpremière van een film of een exclusief feestje waar de bubbels rijkelijk vloeien. In ruil deel je exemplaren van je eigen werk uit. Zo kom je op evenementen waarvan de doorsnee Vlaming alleen de foto’s in de boekjes kan zien. Leuk toch? Wauw, denkt de bladerende pendelaar in de trein van half zeven richting Brussel. Die heeft pas een toffe baan! Meteen krijgen je uitspraken wat meer gewicht, wat meer aanzien. De fijne vleeswaren in de slagerij op de hoek worden plots wat mooier verpakt. Een winkelbediende verkondigt trots dat ze je gisteren in de krant heeft zien staan. Jij wacht bang af of het saldo op je rekening nog voldoende is om deze aankopen mee te betalen. Want alle vriendendiensten en gratis evenementen ten spijt: Het zout en de patatten zijn voor ons even duur en van een fles wijn kan ik mijn kind niet te eten geven. Waar blijft nu ons statuut?

Tot volgende week.
Anne Baaths